Regie: John Carpenter
Verzekeringsagent Trent (Sam Neill) raakt verzeild in een vreemde zaak: de populaire horrorschrijver Sutter Cane is spoorloos. Samen met de vaste redacteur van de schrijver gaat Trent op onderzoek uit. Al snel kan hij realiteit en fictie niet meer van elkaar onderscheiden – en hij is niet de enige.
In the Mouth of Madness heeft in de zomer van 1995 maar kort in de Nederlandse bioscopen gedraaid, en was een wereldwijde flop. Dat snap ik wel: de film is door het trippy surrealisme niet erg laagdrempelig, en stelt dat het werk van de horrorschrijver (die leunt op Stephen King) invloedrijker is dan de bijbel. Als je onderzoekt of iets anders dezelfde maatschappelijke functie als religie kan hebben, verlies je – vooral in de VS – al snel veel publiek en positieve pers.
Het script van Michael De Luca voor In the Mouth of Madness is geïnspireerd door het idee dat verhalen een eigen macht kunnen hebben, en door het werk van H.P. Lovecraft. De titel van de film is ook een variant op een Lovecraft-titel: At the Mountains of Madness.
Hoewel de film nogal rommelig is, vind ik hem niet slecht. Destijds was horror echt nog niche, en waren verhaallijnen en dialogen vaak ondergeschikt aan de schrikeffecten. Dat is in deze film niet het geval, hier zijn ze eerder te complex dan te simpel. Ook het acteerwerk is prima, wat te verwachten is met een sterke cast: naast Neill zijn onder meer Charlton Heston, Jurgen Prochnow, David Warner en John Glover te zien. De enige zwakke schakel is Julie Carmen als redacteur Styles: zowel haar rol als haar acteerwerk zijn onder de maat.
De film is niet eng: de special effects en grime zijn inmiddels zo gedateerd dat het geen indruk meer maakt. De Cronenberg-achtige monsters zijn zelfs leuk om te zien. Ook had ik associaties met Videodrome (1983) door het surrealisme, met Highway to Hell (1991) door het plaatsje dat je niet ‘rechtstreeks’ kunt bereiken, en met The Truman Show (1998) door de positie waar de horrorschrijver Trent in plaatst.
Dus nee, de film maakt geen indruk omdat hij eng is. Wél doordat je ook als kijker niet meer weet wat nu echt is en wat niet, en je afvraagt of popcultuur inderdaad de functie van religie heeft overgenomen. Zeker leuk om te kijken, al was het maar als relikwie van 90-er jaren horror.
Deze film op IMDb
Klik hier om te zien waar je deze film kunt kijken
Scroll door voor weetjes
Carpenter was een van de eerste regisseurs die het script onder ogen kreeg, maar hij wees het in eerste instantie af. In 1992 bedacht hij zich, en zei hier later over: “My chance to finally do Lovecraft without the rights.”
Carpenter wilde In the Mouth of Madness eigenlijk opnemen vóór Village of the Damned (1995), omdat de film het slotstuk vormde van zijn Apocalypse Trilogy (ook The Thing uit 1982 en Prince of Darkness uit 1987 eindigen in totale ondergang). Door productieplanning en financiering werd Village echter eerst gedraaid, waardoor In the Mouth pas in 1994 werd opgenomen.
De filmmuziek is gecomponeerd door Carpenter zelf, in samenwerking met Jim Lang. Voor het openingsnummer wilde Carpenter een Metallica achtige sound, maar kon geen rechten krijgen. Dus componeerde hij een eigen versie die erop lijkt.
Dat Stephen King een referentiepunt vormt is overduidelijk. In de eerste scène bij de uitgever zegt Styles dat Cane nóg populairder is dan King, en de typografie en de layout van de boekomslagen is identiek aan die van de boeken van King. Ook de eerste letters van hun namen zijn bijna hetzelfde: Cane spreek je immers uit met een K.
Er is nog meer aan de hand met de naam Sutter Cane. John Sutter was de man die de goudkoorts ontketende (de massahysterie uit de film), en Cane klinkt als Kane, de schrijver uit Citizen Kane (de macht van de media).
Het fictieve Hobb’s End is een verwijzing naar het Hobbs End van Lovecraft én het eveneens fictieve Castle Rock uit de boeken van Stephen King.
De zin uit Cane’s werk die Trent in de kerk voorleest aan Styles (“This place had once been the seat of an evil older than mankind and wider than the known universe”) is letterlijk overgenomen uit Lovecraft’s verhaal The Haunter of the Dark.
De film werd geproduceerd door Sandy King. Dat is louter toeval: Sandy is geen familie van Stephen.
Charlton Heston werd op het laatste moment gecast. Hij was maar één dag op de set en vond het script ‘vreemd maar interessant’.
Sam Neill improviseerde meerdere scènes. Vooral de momenten waarin Trent volledig instort (zoals in de bioscoop) waren deels geïmproviseerd. Carpenter liet hem ‘gewoon gek worden’.
Ook de zin: “Oh no, not The Carpenters!” als Trent in de cel zit en muziek van The Carpenters hoort is geïmproviseerd door Neill. Carpenter vond het zo leuk dat hij het in de film gebruikte.
Op de filmposter van In the Mouth of Madness in de film staat John Carpenter gecredit als regisseur.

De scène in die prachtige gang van het gesticht is opgenomen in de R.C. Harris Water Treatment Plant (2701 Queen Street East, Toronto (Scarborough), Ontario, Canada), een schitterend gebouw in art deco-stijl, dat in 1941 werd geopend. De waterzuiveringsinstallatie is nog steeds volledig operationeel. Op Flickr kun je meer foto’s vinden van het gebouw.

